Hoe is je zoeken begonnen?
Rond m’n zestiende werd ik een zoeker. Ik voelde me thuis in het jazz-milieu
dat in de jaren ’50 was ontstaan, dat verwant was met het
milieu van de Amerikaanse beatniks. In dat milieu was Zen in de mode.
Zen was voor mij de aanraking met het oosten. Wat in die tijd grote
indruk op me maakte was de Zen-zin: “Voor gewone mensen zijn
bergen bergen, voor degene die op zoek gaat zijn bergen geen bergen
meer, en voor degene die ‘ziet’ zijn bergen gewoon weer
bergen.” Ik had een klik, maar leefde niet in de
veronderstelling dat het voor mij weggelegd was, alleen maar voor
mensen in China of Japan. Ik was beïnvloed door de beat
generation, door Jack Kerouac en Gary Snyder. Zen sloot aan bij de
rebelse geest van mijn generatie. Zen had het air van
niet-doctrinair, zonder autoriteit. Ik werd aangetrokken door de
vrijheid die erin doorklonk, het spontane. Op feestjes vertelden we
elkaar koans, we gierden het uit van het lachen.
De overgang naar dieper
zelf-onderzoek had voor mij te maken met het daadwerkelijk leren
kennen van de non-dualistische ervaring zelf. De ervaringen met
psychedelische drugs in de jaren zestig waren zo openend, zo groots,
alles werd duidelijk. Maar het twijfelloze verdween weer als de drug
was uitgewerkt. Toch ben ik door die fundamentele ervaringen verder
gaan zoeken.
Zen is non-dualistisch, en de psychedelische ervaring is dat ook. Het
bleek toen echter een te grote sprong om dat in mijn leven te
realiseren. Ik had geen voorbeelden. Wel herhaalde de ervaring van
non-dualiteit zich tijdens een oefening die latihan1 heet.
Wat is de latihan?
In 1965 ben ik in aanraking gekomen met Subud2, de weg
van de latihan, een uit Java afkomstige spirituele weg. Dat
was het antwoord op al m’n zoeken. Ik heb toen al m’n
boeken weggedaan; ik had het gevoel dat de aanpak volkomen
betrouwbaar was. Dat heb ik overigens nog steeds, de oefening is
volledig conceptloos, dat was en is voor mij de kern van de zaak. Het
niet-doctrinaire, niet via een leer of via een uitleg,
niet via begrijpen, alleen maar direct ervaren, direct
opmerken van de huidige vorm.
In de latihan oefen je
om de aangeleerde dingen van je af te laten nemen. En wat er
overblijft is natuurlijkheid. En dat laatste kun je niet leren, en
toch is dat te beoefenen, dat er iets in jezelf wordt weggewassen.
De latihan is verwant
aan meditatie, een totaal overgeven aan stilte, maar je richt je
nergens op. Er is geen sprake van focus. Waar het om gaat is dat je
je overgeeft aan het niet-conceptuele. En dat mag je wat mij betreft
God noemen. Het is een soort buigen voor datgene wat voorafgaat aan
al die aangeleerde dingen, die door oervergissingen zijn ontstaan.
Ook al gaat het er in
de latihan om niet je gedachten te volgen, mag er gewoon gedacht
worden, het is als een toneel waar acteurs opkomen, een rol spelen en
aan de andere kant weer af gaan. De leegte van het toneel is de
Werkelijkheid, het maakt niet uit welke acteurs er in verschijnen.
Het gaat om het geleid worden door de kracht die niets te maken heeft
met de persoon, met de optredende acteurs, maar met een Godskracht.
Dat is ook de reden dat
ik de latihan zowel in m’n eigen kring als in m’n boek
heb geïntroduceerd, het is zo wezenlijk. Het heeft iets
aanvullends dat je niet kunt uitleggen, woordloos maar energetisch.
Er is een bepaalde trilling, een zindering, die je verder niet hoeft
te begrijpen, die ontstaat vanuit een gevoel van overgave. Je kunt om
je as tollen of heen en weer bewegen, wát je maar voelt
opkomen; de mogelijkheid dat je bewogen wordt is aanwezig, al gaat
het daar niet om. Je richt je niet op de trilling, die gebeurt, die
neem je voor lief. Je neemt de trilling waar, maar je bent er niet op
uit. Als je je echt overgeeft weet je niet wat je te wachten staat.
Het
gaat om de herkenning van dat wat altijd het geval is, stilte, dat
wat overblijft als de trilling gewoon doorzien is. De trilling mag
optreden, maar dat wat je bent wordt niet aangetast door die
trilling. Dat gaat er aan vooraf, het is gewoon leeg. Voordat de
eerste trilling er is ben jij er al. De eerste trilling die opkomt in
de leegte die je werkelijk bent is wat wel het ik-ben principe
wordt genoemd. De latihan is het energetische aspect daarvan.
De
trilling is het begin van vorm. De oer van vorm. Dat is wat Ramana
Maharshi sphurana noemt, sphurana is de term voor
eerste pulsatie. Iets waar helemaal niets in verrijst, daar komt
opeens iets in op. Ramana noemt dat Ik-Ik. Opeens is er iets,
daarvoor was er niet-iets. Dat is juist het grootse, dat er zowel dat
alomtegenwoordige is, als ook dat kleine. In de grote tradities wordt
daar steeds mee gekanteld. De verschijning van de vorm is zowel
werkelijk als niet werkelijk. Dus zo gauw je je vast legt in: ‘dat
is niet werkelijk’ kom je in de problemen.
In het Tibetaanse
Boeddhisme wordt het voorbeeld van de regenboog gegeven: je ziet de
regenboog, dus hij is echt. Vervolgens loop je naar de voet van de
regenboog, je steekt je hand erin, waar is ie nou? Toch verrijst het
beeld van de regenboog, dus je hebt er mee om te gaan.
Hoe ben je ertoe
gekomen dit boek te schrijven?
Toen ik zeventien jaar geleden dit boek begon te schrijven, dacht ik dat
het gegeven van non-dualisme op zich al helemaal bekend was;
het leek me bijna saai om daar nog een boek over te schrijven. Mensen
als Alan Watts en Ken Wilber hadden dat al voldoende beschreven,
dacht ik toen. Ik begon met een grondige beschrijving van de
geschiedenis van de ontvangst ervan in het westen. Dat vond ik
interessant. Ik begon met het schrijven nadat er op een gegeven
moment een ommekeer in m’n leven was gekomen door een ervaring
van realisatie en totale helderheid, tijdens een verblijf in Spanje.
Dat inzicht is nooit meer weggegaan. Ik ben gaan kijken waar ik dat
inzicht eigenlijk aan te danken had. Ik zag de mensen die het
non-dualistische onderricht naar het westen hebben gebracht. Vandaar
dat ik daar een boek over wilde schrijven. De aanvankelijke titel
was: Van heiden tot Goeroe. In het begin van de koloniale
geschiedenis gingen de westerlingen naar het oosten om er spullen
vandaan te halen. Omdat de mensen in het oosten qua macht niet tegen
ons opkonden, hebben we ze gebruikt als koelie, met weinig aandacht
voor wat er werkelijk in die mensen gebeurde. In de loop van een paar
eeuwen is er een kanteling ontstaan, een aantal westerlingen zijn in
een leerling-rol terecht gekomen ten opzichte van een oosterse
leraar. Dat vond ik een prachtig fenomeen. Bij het daadwerkelijke
schrijven heb ik het geschiedenis-element op een gegeven moment toch
naar de achtergrond gebracht, en het uiteindelijk teruggebracht tot
een hoofdstuk.
Ik
beschouw Ramana Maharshi als de leermeester die in m’n hart
woont, Ramana voelt als een aanwezigheid. De diepste invloed heeft
Nisargadatta gehad. Voor mij is Nisargadatta misschien wel de
leraar geweest van de vorige eeuw. Nisargadatta heeft een manier van
doen die mij heel erg raakt. Met Ramana kan ik eigenlijk niks
beginnen wat betreft z’n geboorte. Dat is niet mijn geboorte,
dat is zo uniek en bijzonder, op z’n zestiende was hij opeens
van alles bevrijd, dat is niet herkenbaar voor mij, bijna
onmenselijk. Dat is voor mij bijna niet anders uit te leggen dan dat
hij in vorige situaties al eindeloos heeft gekeken vanuit dit
perspectief. Uniek. Daar kun je alleen maar voor buigen.
Gaat radicaal
non-dualisme eigenlijk verder dan Hindoeïsme en Boeddhisme?
Het
radicaal non-dualisme is gewoon de binnenkant van beide richtingen,
dat probeer ik te beklemtonen; het is de kern van zowel het ene als
van het andere. Je kunt niet zeggen dat het verder gaat dan,
maar het is gewoon de essentie van allebei. Allebei worden ze door
dat inzicht gedragen. In India heb je veel uiterlijke godsdiensten,
net als hier in het westen; je hebt veel stromingen, waar je in kunt
blijven steken. Vandaar de noodzaak van de vraag: “Wat is nou
precies de binnenkant?” Non-dualisme is de binnenkant van zowel
het Hindoeïsme als Boeddhisme, en binnen de Christelijke mystiek
is het uiteindelijk precies hetzelfde.
Je hebt al een paar
boeken gemaakt, die in feite ook over non-dualisme gaan. Was er een
moment dat je bent gaan schrijven vanuit een ander inzicht?
Jezus spreekt3 heb ik meer dan twintig jaar geleden samengesteld;
toen had ik nog niet het vertrouwen in mezelf, in het laten horen van
mijn eigen stem, het werkelijke inzicht was er nog niet. Ik durfde
toen eigenlijk nauwelijks iets te schrijven, ik had alle uitspraken
van Jezus verzameld en er een korte inleiding bij geschreven, vrij
zakelijk. Ik was te beschroomd om te melden over wat ik wel al
begrepen had. Dat is veranderd. Gaandeweg heb ik geleerd m’n
woorden te vertrouwen. Dat is een lang proces geweest. Sinds die
ervaring in Spanje hebben m’n woorden meer kracht. Ik had
vertrouwen gekregen, ik durfde iets te zeggen. Overigens ben ik nog
steeds geen vlotte schrijver.
Spreek je liever?
In ieder geval makkelijker. Bovendien gaat het natuurlijk in de eerste plaats om het
directe contact. Toch zie ik ook het nut van schrijven, je kunt
bepaalde dingen aanscherpen, met gesproken woorden dans je soms net
ergens over heen. En als je dat dan weer opschrijft, kan het zijn dat
de kern helemaal verdwenen is. Als ik Zen-dialogen lees, vind ik er
meestal niets aan.
Door welke omslag
ben je gaan praten?
Het vertaalwerk van de Ramana Upanishad4 heeft daarbij een grote
rol gespeeld. Er is toen iets gebeurd, je zou het inderdaad een soort
omslag kunnen noemen. Het vertrouwen om gewoon te gaan zitten en
vragen te beantwoorden, is denk ik door die omslag ontstaan. De
aarzeling in mij is verdwenen door het ervaren van grote ontroering
tijdens het vertalen van Ramana’s lofzangen. Dat was een
ongelooflijke ervaring. Die lofzangen had ik aanvankelijk niet eens
willen opnemen in het boek. Ik wilde er een puur jñana5-boek
van maken. Ik wist wel van het bestaan van die lofzangen, maar ik
dacht, dat is zo bhakti,6 zo Indiaas. Ik was wel vertrouwd
met het benadrukken van overgave, maar dan op de manier van de
latihan, en niet met een beeldspraak waarbij je buigt voor een berg.
Die berg Arunachala7 zei me niet zoveel, en hoe Ramana
Maharshi het in die lofzangen verwoordt, daar had ik me bij het lezen
in het Engels nooit zo door laten raken. Nu ik daadwerkelijk aan het
vertalen sloeg, werd ik helemaal gevloerd. Dat gebeurde ook als ik
het aan anderen voorlas. Dat was ongelooflijk.
Maar wat is dat toch?
Dat is het grootse, dat is wat satsang is, dat is de buiging, ik heb daar niets over uit te
leggen. Dat is het oog in oog staan. Dat is het grootse van Ramana
Maharshi, dat hij dat de hele tijd in het centrum blijft zetten. Dat
hij bij de andere dingen zegt: nou dat bekijken we later wel eens.
Eerst dat wonder van louter aanwezigheid.
En dat wonder kwam
sterk naar voren bij het vertalen van zijn lofzangen?
Ja, op een ontroerende
manier. Ik was herhaaldelijk volledig in tranen, ik zat te snikken,
waardoor ik merkte dat het gevoelsaspect en het inzichtsaspect
helemaal waren samengevallen. Op dat moment verviel bij mij de
twijfel. In het voorjaar daarop had iemand een werkruimte leeg staan,
die zei: “Nou dit zou ontzettend geschikt zijn, en ik heb al
eens eerder aan jou gedacht, dat jij eigenlijk een leraar bent, zou
je dat nu willen doen?” Toen heb ik dat tot me door laten
dringen, wat dat betekende, en toen kwam er steeds één
zin in me op, als een soort vanzelfsprekendheid: “Ik ben
bereid.” Dat was eigenlijk die trilling, vanuit ontroering, dat
ik gewoon niet wist waartoe ik bereid was, eventueel om afgeslacht te
worden, want je zit dan opeens met een aantal mensen waarvan je
helemaal niet weet wat er eigenlijk gaat gebeuren, wat zijn we van
plan? Zeker in de begintijd was dat zo. Ik snap er nog steeds niets
van, het is nu iets normaler, maar het blijft idioot. “Ik ben
bereid” is een zin die nog steeds in mij aanwezig is: bereid om
pijn tegen te komen, om een vergissing te maken, om te vallen in iets
waar helemaal geen controle meer is. Bereidheid is alles.
Wat bedoel je in je
boek met ‘totaalvertalen’?
Ik
gebruik de term vertalen in een wat ruimere zin, waarbij het
letterlijke tekst-vertalen alleen maar een onderdeel is van het
vertalen van een mentaliteit, wat ik ‘totaal-vertaling’
noem. En die nadruk in dit boek is best uniek. Bepaalde dingen die
aangereikt zijn door Advaita- of Zen-leraren zijn vaak niet goed
begrepen, of in ieder geval niet helemaal verwerkt. Wat daarna weer
verder wordt doorgegeven, wordt door westerse leraren naar mijn
gevoel te gauw geïnterpreteerd als volledig. Wat oorspronkelijk
aangereikt was, was onderdeel van een geheel, van een mentaliteit,
met allerlei morele vanzelfsprekendheden die bij het doorgeven van
het inzicht aan westerlingen niet aan de orde kwamen, juist vanwege
de vanzelfsprekendheid ervan. Het gaat er wat mij betreft om dat we
tot een helemaal nieuwe vertaling ervan komen; alles moet omgezet
worden en dan nog geïntegreerd. Alles is nieuw, we zijn echt
pioniers. Met totaalvertalen bedoel ik het geheel, de hele psyche. Je
kunt wel napraten wat er in het oosten gezegd wordt, maar het moet
onze taal gaan worden. Het moet zo normaal worden dat we
helemaal trouw blijven aan het oorspronkelijke, en het toch
in deze wereld uitdrukken. We moeten er niet zomaar een leuk deuntje
van maken, maar het zo vertalen dat het in de lijn van de authentieke
teaching is, en toch totaal geschikt voor deze westerse wereld. Dat
noem ik een totaalvertaling, en dat is best een grote sprong.
Dit boek is daartoe een
uitnodiging. Door ook te wijzen op misverstanden, te wijzen op
vergissingen. Ik heb af en toe best een kritische toon, dat zie ik
als nuttig. In sommige kringen is dat taboe, dan hoor je alleen te
praten over je eigen verlichting. Ik kan dat meestal niet lezen, ik
vind dat zo saai, ik ken die verhalen al lang. Ik ben dan weer op de
middelbare school met: ‘De bergen zijn eerst bergen …’
Maar wat gebeurt er vanaf dat moment? Wat is de inwerking in je
leven, hoe ga je met je partner om? Dat is wat ik vertalen noem,
transponeren, converteren, omschakelen, we komen in een heel andere
tijd nu, er wordt gevraagd om helemaal trouw te zijn aan dat wat je
ziet.
Ik lees:
“Werkelijkheid is pas werkelijkheid als er geen verschil meer
is tussen leegte en vorm, als er nooit een onderbreking in de
werkelijkheid optreedt.” Wat bedoel je met onderbreking?
Onderbreking is toch deel van de werkelijkheid?
Alleen vanuit de uiteindelijke waarheid gezien is alles deel van de werkelijkheid. Dan
heb je gelijk. Maar het besef van werkelijkheid wordt bij de meeste
mensen onderbroken. Dat is waarom mensen elkaar dingen aandoen. Je
hebt uiteindelijk gelijk als je zegt dat ook een onderbreking deel
uitmaakt van de werkelijkheid. Maar dat is nou juist het lastige van
het praten over dat wat mensen elkaar aandoen.
In de inleiding van
je boek citeer je Padmasambhava8: “Ook al is je inzicht zo
wijd als het hele luchtruim, je moet er voor zorgen dat je gedrag zo
fijn is als meel.” Maar leven naar het hoogste inzicht in het
dagelijkse leven, dat wordt je niet zomaar meegegeven!
Ik kom weer bij het woord bereidheid. In het boek heb ik het spreekwoord
gebruikt: “Men kan een paard wel in ’t water trekken,
maar niet dwingen dat het drinkt”. Dat wijst naar het
grootse van vrijheid, je bent in de positie van het paard. Je mag ook
weigeren, dat is juist het mooie, het is een gegeven dat het verder
aan jou is hoe je er mee om gaat. Je bent totaal vrij, je mag de
begeleider weigeren, of dat nou Jezus is of God zelf, of
Padmasambhava. Gedrag is er al, wij gedragen ons al. Dus zorg dat je
gedrag alle detailaandacht mag hebben. Dat je nergens van denkt: dat
maakt niets uit. Wat tegenwoordig nogal gaande is in de westerse
advaita-wereld: “Ach, dat maakt niets uit, dat is toch allemaal
bewustzijn.” Ik zeg: het maakt wel wat uit, ook al is het
bewustzijn, want wij hebben met elkaar te maken.
Je schrijft: Er is geen weg naar zelfrealisatie, die is onmiddellijk,
zonder stappen, maar er is wel een weg na de herkenning van je
wezenlijke natuur, de herkenning dient gestabiliseerd te worden.
Ja, het gaat om de betrouwbaarheid ervan. Je bent bijvoorbeeld even
ontrouw geweest, je hebt kans gezien even iets ‘onbewust’
te doen, je bent bewustzijn uit het oog verloren, of je doet stiekem
andere dingen dan je beweert te doen. Als ik dat bij iemand aantref,
dan denk ik: dat is zonde, je kunt toch ook nu kijken? En nu,
en nu, en nu dan? Zodat het nooit niet het geval
is. Seconde, na seconde, na seconde, is het waar? Is het nu ook waar?
Of kleef je nu aan daarnet? Niet als poortwachter, maar in de zin
van: “Ben je bereid?” Dus ook: ben je bereid om eerlijk
te zijn? Net als bij dat paard, je mag wel de andere kant op kijken,
maar dan moet je niet beweren dat je aan het drinken bent.
In je boek geef je het de term volwassenheid.
Ja, de trouw wordt dan gehonoreerd, de betrouwbaarheid. Er is een roep van binnenuit, zoals
in het bijbelse boek Genesis, vlak na de verleidingsscene, waarin de
zogenaamde zondeval gebeurde, dan schrikken Adam en Eva, ze blijken
naakt te zijn, gaan zich bedekken, gaan zich verbergen, en dan roept
God: Waar ben je? Het bewustzijn klopt continu aan, maar we zijn te
druk met allerlei leuke of walgelijke dingen waar we aan verslaafd
zijn. Zijn we bereid nu te luisteren? Er is steeds een mogelijkheid
om te luisteren, niet vanwege de kans dat je straf krijgt als je niet
luistert; het is geen nieuw moralisme, het is zo ongelooflijk subtiel
en verfijnd, het verdient werkelijk aandacht, vanwege iets dat dieper
gaat dan moraal. Het is iets als verliefd zijn; iets waar je helemaal
weg van bent wil je geen millimeter beschadigen, als je helemaal in
vlam bent voor iets, hoe zou je dat ooit kunnen bedriegen? Of
beschadigen? Het is eigenlijk een soort roep, wil je antwoord geven
of niet? Het is een gloed, een hartstocht voor wat echt waar is,
oprecht. De term volwassenheid is de term die duidt op het zicht
hebben op je eigen machtsstreven, en de bereidheid om dat neer te
leggen. Zelfs de bereidheid om het machtsstreven van jezelf te zien
en te erkennen vind ik al een daad van volwassenheid.
Gaat het proces van het ontwikkelen door?
Volgens mij is van volledige verlichting sprake als de invloed van het
persoonlijke verleden helemaal ophoudt. Als je geen enkele
beïnvloeding van het verleden meer meemaakt. Daar kun je niets
voor doen; het is iets dat rijpt, de Tibetanen spreken daar vaak
over, het is een kwestie van herkennen, wat zij noemen short
moments, many times, iets dat door je leven heentrekt. Als een
olievlek op een papiertje, elk moment dat het gezien wordt is als een
olievlek die zich uitbreidt. Dat is ook mijn ervaring. Je kunt
zeggen: Wat kantelt er nou precies? Ik weet het ook niet, maar het
gebeurt wel. Je bent de dader er niet van. Het is de bereidheid om
dat te laten gebeuren, zonder er mee bezig te zijn vanwege de goede
afloop. Ik ben niet bezig met het zou nog anders kunnen, het zou nog
dieper kunnen. We gaan nergens naar toe wat mij betreft.
We
staan met onze vier poten van het paard in tegenwoordigheid. Er is
geen verschil, we staan allemaal met onze poten in dat water, maar we
hebben een ‘eigen’ kop die zegt: “Drinken? Hoezo?
Dat bepaal ik zelf wel!” Die kop is eigenwijs! Dat zie ik in
mezelf en dat zie ik in anderen. Ik gebruik hiervoor het beeld van de
vuist, als een beeld voor de samenballing van alle eigenwijsheid:
alle psychologie is hierin vervat. Zoals je bij een ruzie kunt
meemaken dat je halsstarrig blijft: “Ik geef dit niet op hoor!”
Dat is voelbaar in je hele lichaam, dat je eigenlijk verslaafd bent,
door te gehoorzamen aan de kracht van gelijk willen hebben, terwijl
je er nota bene zelf onder lijdt, er pijn aan hebt, als een
afgesloten circuit. Je kunt zelfs meemaken dat je een moment van
vrijheid beleeft als je ’sochtends wakker wordt, maar dat je
daar totaal niet trouw aan wilt zijn, dat je trouw wilt zijn aan het
gelijk willen hebben, dat is ongelooflijk. Ons gelijk willen hebben,
onze eigenwijsheid, is alles wat ons van bevrijding afhoudt. Vrijheid
is namelijk altijd al het geval, die is gewoon beschikbaar.
Het gaat erom te leren
buigen. Zo loop je tegen je eigen koppigheid aan, je weigering of
arrogantie. Als de buiging er is merk je dat de wereld daarna anders
is, dat is het grote wonder. Opeens merk je dat je geen gelijk hebt.
In de buiging ben je niet iemands slaaf, je buigt voor iets dat
alleen maar licht is. Je buigt alleen maar voor God. Je doet niets,
je staat alleen toe dat God z’n werk doet, dat is wat spontaan
leven heet. Dan zit je er niet meer zelf bij als persoon.
Het danst steeds om dat
ene gekke ding wat vrijheid is. Wat ik met het paard bedoel, is
eigenlijk een junkie. Als je tegen een junkie zegt: “Je kunt
toch stoppen? Laat die naald gewoon daar en jij bent hier! Waarom doe
je dat niet?”, dan ben je meestal niet in staat hem over te
halen. En dat is groots, hoe tragisch misschien ook voor hem. Het
grootse is dat iemand nooit gedwongen kan worden tot vrijheid. We
zijn allemaal een soort junkies, wel subtieler, niet met een naald in
de arm, maar wel net zo vernuftig.
Het paard mag gaan
inzien dat het wonder er is, dat hij vrij is. De weg zoals ik die zie
is de weg van het houvastloze.
Zien zelf is vrijheid
Je wordt hierbij uitgenodigd je innerlijke verhaal even te
onderbreken, en te kijken naar wat er al is, dit, nu, zonder
weten, zonder verhaal.
Je beleeft al. Dat is dit. Dit huidige beleven.
Het huidige beleven kan veel vormen aannemen,
zoals gedachten, emoties, sensaties, zintuiglijke
waarnemingen, enzovoort.
Kijk wie de ‘iemand’is die deze gedachten heeft.
Herken dat er niet een iemand is die deze gedachten heeft.
De denker of voeler blijkt afwezig,
hoewel gedachten kunnen opkomen.
Zie deze afwezigheid van een denker.
Rust uit in dit zien van de afwezigheid van een denker.
Dit is wat ‘Besef’
genoemd kan worden.
Rust uit in Besef.
Rust uit in het zien dat er niet iets te zien valt.
Rust uit in het zien zelf.
Zien zelf is vrijheid.
Zie dat zien zelf vrijheid is.
Zien zelf is je wezenlijke natuur, en dit is ook de wezenlijke
natuur van alle vormen die zich aandienen in het zien.
Rust uit in de vrijheid die zien zelf is, zonder verwachting
van iets anders of iets ‘hogers’ dan dit.
Uitrusten in zien zelf is waarachtige vrede.
Moge waarachtige vrede ieder mens ten deel vallen.
[Uit :Non-dualisme, pag. 276-277]
Noten
1. latihan: geestelijke oefening, gebaseerd op totale overgave
aan God.
2. Subud: broederschap
die is ontstaan rondom het doen van de latihan. Opgericht in 1947 in
Yogyakarta.
3. Jezus spreekt: samengesteld door Philip Renard, 1983,
uitgeverij Karnak, Amsterdam.
4. Ramana Upanishad: samengesteld door Philip Renard, 1999,
uitgeverij Servire, Utrecht.
5. jñana: de weg van inzicht.
6. bhakti: de weg van devotie.
7. Arunachala: heilige
berg in India waar Ramana Maharshi woonde. Wordt beschouwd als
letterlijke manifestatie van Shiva.
8. Padmasambhava:achtste-eeuwse Dzogchen-leraar in Tibet.