In het eerste deel van ‘‘Ik’ is een deur’ schetste ik het opvallende fenomeen dat in de Advaita Vedanta de term ‘ik’ gehandhaafd blijft om zelfs de hogere niveaus van werkelijkheid mee aan te duiden, de niveaus die ‘voorbij de persoon’ zijn. De hulp die hierin is gelegen bestaat eruit dat er met het handhaven van de term op gewezen wordt dat het besef ‘ik’, dat zo vanzelfsprekend is voor de beleving van de persoon, in feite dieper is dan die tijdelijk optredende persoon, en dat dit besef onafgebroken aanwezig is, ook nu al. Er hoeft dus niet eerst iets verwijderd of uitgesloten te worden om contact te kunnen maken met het Echte dat je bent. In het eerste deel ben ik ingegaan op de benadering van Shri Ramana Maharshi, en nu wil ik graag de aandacht laten gaan naar de verwoording van Shri Nisargadatta Maharaj (1897-1981).
Nisargadatta is in mijn ogen een van de
grootste leraren van de twintigste eeuw (en misschien wel van
alle tijden, al is zoiets natuurlijk heel moeilijk te
beoordelen). Wat hem zo groot maakt is vooral zijn enorme
vermogen om alles wat hem gevraagd werd te laten zien als te
bestaan uit concepten, en om deze concepten vanwege hun
nutteloosheid tot aan de grond toe af te breken. Wat de
bezoeker of leerling ook maar opperde, Nisargadatta toonde aan
dat het neerkwam op een houvast aan denkbeelden, en hij
verwees naar de oorsprong ervan, het zaad ervan. Alles,
werkelijk alles, ook iets dat hij even tevoren zelf had gezegd,
werd ondermijnd als te zijn een concept, en dus niet waar. Het
enige dat waar is, zo beklemtoonde hij, is het conceptloze.
Omdat hij niet meer leeft, is het lezen van
zijn boeken de enige mogelijkheid om van hem te leren (afgezien
van een paar flitsjes van darshan via enkele video-fragmenten).
En bij dit lezen blijkt iets dat eigenlijk humoristisch
genoemd kan worden, namelijk dat hij, de grote concept-ondermijner,
zelf voortdurend concepten aanreikte. Hij sprong van niveau
naar niveau, noemde talloze Sanskriet-termen voor een bepaald
niveau, gebruikte dezelfde of zeer verwante termen voor een
ander niveau, en liet dan de hele zaak oplossen in wat hij
noemde ‘de donkerblauwe staat van niet-ervaren’.
Helaas heeft dit ertoe geleid dat veel
zoekers die wel al een glimp hebben opgevangen van wie ze
werkelijk zijn, toch blijven doorgaan met de zoektocht, vanuit
het kennisnemen van de boodschap ‘alleen het Absolute ben je’.
Rusteloos wordt dan zowel geclaimd dat ze ‘bewustzijn al
kennen’, alsook uiting gegeven aan de frustratie dat ‘de
stap verder’ niet lukt.
Ik durf hier te zeggen: er is geen stap verder.
Het gaat er juist om om tot de grens te
gaan van het ervaarbare, en daar stil te houden. Laat je door
geen enkele opmerking over het Absolute verleiden hiernaar te
zoeken.
Maar, zo kan worden tegengeworpen,
Nisargadatta maakt juist voortdurend opmerkingen over het
Absolute, en laat steeds zien dat al het andere onwerkelijk
is! Ja, dat is de confrontatie: te horen dat we Dat zijn, en
het niet kunnen ervaren, laat staan zoeken. Dat is de paradox
die Maharaj ons voortdurend voorhoudt. Hoe moeten we met deze
paradox omgaan?
Maharaj geeft zelf het antwoord op deze
vraag -- en wel door een concept aan te reiken. Eén
specifiek concept, dat hij aanduidde met de term ‘ik ben’-besef,
of ook wel ‘ik ben’-heid. De grootheid van
Nisargadatta Maharaj, zojuist geformuleerd als ‘groot’
vanwege zijn totale concept-ondermijning, kan met hetzelfde
recht aldus genoemd worden op grond van het aanreiken van dit
ene concept. Dit concept, het ‘ik ben’-beginsel,
beschouwde hij als datgene wat verteerd moet worden,
doorgeslikt, opgelost. Hij beschreef het dan ook als ‘het
uiteindelijke geneesmiddel’. Weliswaar noemde hij het
minstens zo vaak ‘de ziekte zelf’, of ‘de grootste
misère’, maar de plaatsen waar hij aangeeft in welk opzicht
ditzelfde concept nu juist het geneesmiddel is, zijn de
richtingaanwijzers naar vrijheid. We hebben hier dus opnieuw
met een paradox te maken: iets dat een ziekte is, is in zijn
essentiële natuur het geneesmiddel zelf.
Er bestaat een citaat dat een sleutel bevat
voor de toegang tot deze paradox. In mijn ogen is het het
allermooiste citaat dat er bestaat, van wie ook, omdat in een
paar zinnen het hele mysterie van het bestaan wordt aangegeven,
inclusief het handvat om het mysterie te betreden. Alles staat
erin, en alle verdere tekst van Maharaj kan vanuit dit licht
worden geïnterpreteerd.
“De aanraking van ‘ik ben er’ is in
ieder wezen; deze zijnskwaliteit heeft een vleugje van de
liefde voor het Absolute, en is een vertegenwoordiging van het
Absolute. (...) De Waarheid is uitsluitend het totale Brahman,
het Absolute, niets anders dan Brahman. In de staat van het
totale Brahman ontstond de aanraking van ‘zijn’, van ‘ik
ben er’, en daarmee begon de afgescheidenheid en het ‘anders’-zijn.
Maar deze ‘ik ben’-heid is niet zo maar een klein beginsel;
het is Mula-Maya, de oorsprong van alle illusie. (...)
Het grote Maya-beginsel laat je door middel van haar
verleiding allerlei dingen doen, en zo blijf je hangen in de
dingen die ze je voorhoudt, en uiteindelijk [bij je dood]
raakt dat licht van je, die zijns-kwaliteit, uitgedoofd. (...)
Dat Maya is zo krachtig dat je er helemaal in bent opgegaan.
Maya betekent ‘ik ben er’, ‘ik houd ervan er te zijn’.
Het heeft geen enkele andere identiteit dan liefde.
Dat besef ‘ik ben er’ is tegelijkertijd
de grootste vijand en de grootste vriend. Hoewel het mogelijk
is dat het je grootste vijand is, doe je er goed aan het
gunstig te stemmen -- dan zal het zich omdraaien en je naar de
hoogste staat brengen.’’1
Het besef ‘ik ben er’ is een universeel
beginsel, in ieder wezen op exact dezelfde wijze aanwezig,
voorafgaand aan de invulling ‘ik ben Jan’ of ‘ik ben An’,
met andere woorden ‘ik ben deze persoon’. Nisargadatta
duidde dit ‘ik ben’-besef meestal aan met de term ‘bewust-zijn’
(chetana). Juist omdat hij dit bewustzijn vaak illusoir
noemde, en de term ‘bewustzijn’ door andere leraren
gebruikt is om juist het Allerhoogste aan te duiden (weliswaar
als vertaling van de term chit in plaats van chetana),
is het zinnig om bij de betekenis stil te staan die
Nisargadatta eraan gaf. Talloze synoniemen reikte hij aan,
zoals ‘kennendheid’, ‘Krishna-bewustzijn’, ‘kind-bewustzijn’,
‘zaad’, ‘getuige’, ‘God’, ‘zijn’, ‘zijnskwaliteit’,
‘sattva’, ‘het chemische’, ‘Saguna Brahman’,
‘het manifeste’, ‘het hoogste beginsel’: ze komen
steeds op hetzelfde neer. Het gaat om een aanraking. In
iets dat in het geheel geen ervaring is, geen kennis, geen
vorm, geen ‘iets’, komt spontaan, zonder enige reden, iets
op. Pas bij het opmerken ervan kun je spreken van ‘er komt
iets op’, eerder niet. Dus manifestatie en het opmerken
ervan zijn een en hetzelfde. Dit is de ‘aanraking’. Het is
deze allereerste vibratie, deze allersubtielste vorm van
aanraking, die Nisargadatta de naam ‘bewustzijn’ gaf, het
beginsel ‘ik ben er’.
Het grootse element van het citaat zit in
de laatste alinea: Het ‘ik ben’-besef is tegelijkertijd de
grootste vijand en de grootste vriend. Het houdt alles
in -- dus kun je hier een volkomen stuurloos gevoel aan
overhouden. Heel vaak wordt in andere passages, door de
klemtoon op het illusie-karakter (‘de grootste vijand’),
dat stuurloze alleen maar versterkt, omdat dat wat wel
werkelijk is, het Absolute, als ‘niet-ervaarbaar’ wordt
beschreven. Maar op deze plaats wordt met grote kracht
beschreven dat, hoewel het misschien je grootste vijand is,
je er toch goed aan doet het helemaal te aanbidden. Dus
illusie of niet, dat maakt op dit moment helemaal niets uit,
want het is uiteindelijk God zelf, het beginsel dat
voortdurend scheppend is, dat alles tot stand brengt.
Weliswaar houdt dit in dat je verleid kunt worden je vast te
klampen aan een vorm, maar ook dat je door ditzelfde beginsel
juist bevrijd kunt worden uit dat vastklampen.
In een van de Purana’s, de ‘oude boeken’
van het Hindoeïsme, vinden we een passage die gelijkenis
vertoont met het citaat. “Als het Haar helemaal naar de zin
gemaakt is, raakt zij gunstig gestemd, en wordt zij de
veroorzaker van de vrijheid van de mens.”2 Het gaat er
dus om dat beginsel zo volledig mogelijk te vereren, aandacht
te geven, te behagen. Het besef ‘er te zijn’ is zó gewoon,
zo alledaags, dat je er gemakkelijk overheen kijkt. Vandaar
dat Nisargadatta er alle nadruk op legt om dat nu juist niet
te doen, om het integendeel alle eer te geven, het als de
hoogste God te aanbidden. Continu hamert hij erop om
hier stil te blijven, en je helemaal toe te wijden aan dit
besef, aan deze beleving.
“Aanbid het ‘ik ben’ als God; er is
niets anders. Aanbid alleen maar dat beginsel; er valt verder
niets te doen. Juist dit besef ‘ik ben er’ zal je naar het
hoogste brengen, naar het Uiteindelijke. Dit ‘ik ben’ is
er zolang de vitale ademhaling aanwezig is. En als je dit ‘ik
ben’ aanbidt, als louter Manifest Brahman (Saguna Brahman),
dan bereik je onsterfelijkheid. (...) Je moet je voortdurend
herinneren dat dit (...) alleen maar Brahman is; blijf kauwen
op die pruim. Je moet er continu aan denken.”3
We kunnen ons afvragen wat ‘aanbidding’
eigenlijk is, omdat bij dat woord de associatie kan opkomen
met een gebed met woorden. Aanbidding is eigenlijk ‘iets met
je volle gevoel voortdurend aandacht schenken’. Het beste
voorbeeld hiervan in de wereld is verliefdheid. Als je
verliefd bent, gaat je aandacht helemaal naar de geliefde, of
je het wilt of niet. Je bent ervan vervuld, en alles wat in de
richting van de geliefde gaat, gebeurt moeiteloos. Dat kun je
aanbidding noemen. Dus nu worden we uitgenodigd om dit
aanbidden, deze verliefdheid, te betrachten ten opzichte van
een alledaags besef, van de beleving van een vormloos iets,
‘de aanraking van Zijn’, ‘het voelen van Zijn’. Hoe
moeten we dit aanbidden in de praktijk brengen?
Het komt erop neer dat je helemaal versmelt
met deze zijns-kwaliteit, met deze oervibratie. Breng al je
hartstocht naar deze niet-lokaliseerbare ‘plaats’, bejubel
deze vibratie, en maak je er geen zorgen over dat dit nog een
vorm van dualiteit is, een vorm van energie of ‘lichamelijkheid’.
Aanbid Haar, bejubel Haar, houd niets terug, geef je helemaal
aan Haar, zodat je met Haar kan vervloeien. Dan toont Ze je,
in de samensmelting, dat ‘twee’ ophoudt te bestaan. Alles
waarin Zij een vijand kan zijn, is alleen maar het geval als
je je mee laat voeren door Haar verleiding. “De
uiteindelijke bron van alle geluk is je zijnskwaliteit:
verblijf daar. Als je je laat meeslepen door de uitstroom van
Maya zul je in ellende terechtkomen. (...) Wees stil in je
zijnskwaliteit.”4
Hier wijst Nisargadatta dus aan hoe in het
‘hoogste beginsel’, het ‘ik ben’-beginsel, het
bevrijdende element onderscheiden kan worden van het
verleidende, bindende element. Ik vergelijk het wel eens met
een fontein in een vijver. Het ‘ik ben’-beginsel is de
mond van de fontein. Daar spuit het water met grote kracht
omhoog, ervoor zorgend dat duizenden druppels gevormd worden,
die samen de vorm aannemen genaamd ‘fontein’. De mond van
de fontein heeft nog nauwelijks vorm, slechts de ervaring van
de stuwkracht om er te zijn, de drang tot vorm. Het advies is
dan: blijf bij de mond van de fontein, vertoef daar, en geef
je over aan de vormloze vibratie ervan. Probeer op geen enkele
manier iets te doen aan de stuwkracht zelf. “Welke
natuurlijke processen zou je kunnen stoppen? Alles gebeurt
spontaan. Op dit moment ben je in bewustzijn zelf; dit is
opwellend, vibrerend, tot beweging aanzettend. Denk niet dat
je iets bent dat afgescheiden is van dit opwellende,
vibrerende bewustzijn.”5 Door aan de mond van de
fontein te blijven, in aanbidding voor Dat wat dit alles
schenkt, wordt je vrijheid geschonken.
“De toegewijde, die zich niet meer laat
afleiden, en God, die gefascineerd wordt door deze devotie,
worden tot elkaar aangetrokken, en op het moment dat ze oog in
oog staan vloeien ze samen. De toegewijde verliest automatisch
zijn objectgerichte bewustzijn, en zodra dit terugkeert ziet
hij dat hij zijn identiteit is kwijtgeraakt -- verloren in die
van God, van Wie hij niet meer kan worden gescheiden”;6 en
“Ik ben God, ik ben de toegewijde, en ik ben de aanbidding;
het is allemaal hetzelfde, één enkel beginsel.”7
God verliest het karakter van Maya,
Verleidster, zodra je ziet dat je je door Haar niet hoeft te
laten meenemen naar Haar scheppingsvormen. Je hoeft alleen
maar te letten op Wat Haar ziet. “Mediteer op dat wat weet
dat je hier zit. Je gevoel dat dit je lichaam is is
identificatie met het lichaam, maar dat wat weet dat dit
lichaam hier zit is de uitdrukking van het Absolute.”8
Dus het bevrijdende van het ‘ik ben’-beginsel
zit evenzeer in het kennende aspect als in het aspect van de
overgave. Hier vloeien jñana (kennendheid, inzicht) en
bhakti (toewijding) volledig inéén. Soms houdt dat in
dat overgave toont dat onderscheid-maken niet langer nodig is;
en soms houdt dat in dat het inzicht ervoor zorgt dat overgave
niet per ongeluk overgave aan de manifestatie zelf wordt, aan
het verglijdende. Overgave is alleen dan terecht als het aan
Dat is wat permanent het geval is. “Ik heb Maya verleid, en
toen Maya zich eenmaal aan mij overgaf, kon ik haar niet meer
gebruiken en heb ik haar eruit gegooid.”9
Het opmerken dat je lichaam hier zit is ‘kennendheid’.
Deze kennendheid is Kennen zelf, en dit vormt het bevrijdende
aspect, omdat het letterlijk de uitdrukking is van het
Absolute, zoals zojuist in een citaat gezegd is (zie noot 8).
Absoluut Kennen drukt zich uit als ‘kennen-van-iets’. Dus
‘bewustzijn’ en ‘het Absolute’ zijn niet twee
verschillende zaken, zoals vaak op grond van veel
Nisargadatta-uitspraken wordt verondersteld. Er is maar één
Bewustzijn. Dat heeft een Absoluut aspect en een beweeglijk,
levend, kennend aspect, de ‘aanraking’. Het enige wat
nodig is om te zien is dat een bepaalde trilling altijd het kennen
van die trilling is, en dat het kennen zelf Absoluut Kennen
is. Dat daar geen enkele scheiding is. Alleen, in het Absolute
valt er niets te Kennen, vandaar dat Nisargadatta het altijd
de ‘no-mind state’ noemt, de staat waarin aandacht is
opgelost in zichzelf.
“Er is maar één staat, geen twee. Als
de ‘ik ben’-heid er is, zul je in dat bewustzijn veel
ervaringen hebben, maar het ‘ik ben’ en het Absolute zijn
niet twee. In het Absolute komt de ‘ik ben’-heid op, en
dan treedt ‘beleving’ op.”10
Je zou kunnen zeggen dat het ‘je laten meevoeren door de Verleidster’ neerkomt op geloof hechten aan de kracht van je verleden, aan de kracht van de geneigdheden, de vasana’s, in plaats van het uithouden dat het louter blijft bij de ‘huidige aanraking’, de ‘huidige vorm’. Het bindende aspect van het ‘ik ben’-beginsel bestaat dus uit geschiedenis-maken, een op het huidige moment ontstane schepping van een ‘subtiel lichaam’, een ‘ik-gestalte’, een vorm die moet continueren. De bindende kracht zelf kun je het ‘causale lichaam’ noemen, de verzamelplaats van de latent opgeslagen geneigdheden, de eerste kiem van individualiteit, van een jiva.11 Het ‘causale lichaam’ is de aanduiding voor datgene in ons wat nu ervoor zorgt dat er een vorm gemaakt wordt, en wat ons verleidt om deze vorm te handhaven. Het verleidt ons om deze vorm niet te herkennen als ‘louter huidige vorm van Bewustzijn’, dus als iets dat ogenblikkelijk weer sterft, en dat weer vervangen wordt door een andere vorm. Dit is dus wat bedoeld wordt met de term ‘causaal’, ‘veroorzakend’. Het causale lichaam veroorzaakt dus het uit het oog verliezen dat je altijd, nu, nu, nu, nieuw bent, ongeboren. En dit ‘veroorzaken’ speelt zich af door middel van de geneigdheden, die zodra er manifestatie is, je eraan doen hechten, zodat de vorm kan continueren. Vanwege zijn versluierende en bindende aard wordt het causale lichaam in de Advaita-traditie wel gelijkgesteld met ‘onwetendheid’ (ajñana, ook wel avidya).
Nisargadatta, die in zijn taalgebruik sterk
beïnvloed was door de Samkhya-traditie, een oude Indiase
school van Dualisme, legde dit proces van gebonden-raken wel
eens uit aan de hand van de aan Samkhya ontleende termen sattva,
rajas en tamas. Dit zijn de drie guna’s,
de eigenschappen die al ons handelen bepalen en kleuren (rajas
is het opwindende, rusteloze, dat wat tot activiteit aanzet, tamas
het trage, stollende, verduisterende, en sattva is de
eigenschap die het evenwicht behoudt, de zijnskwaliteit,
helderheid of kennendheid).
Nisargadatta beschreef de overgang vanuit sattva
aldus: “Het besef dat je er bent (sattva) op zich,
tijdens de waaktoestand, is een ellende; alleen maar doordat
je door zoveel dingen geboeid bent, ben je in staat die
zijnstoestand uit te houden. Deze zijnskwaliteit (sattva),
het besef ‘ik ben er’, kan zichzelf niet verdragen. Het
kan dit niet uithouden, zo alleen, uitsluitend besef hebbend
van zichzelf. Vandaar dat rajas er is; die neemt het
‘zijn’ mee naar allerlei activiteiten, zodat het niet met
zichzelf alleen hoeft te blijven -- die toestand is namelijk
heel moeilijk uit te houden. En tamas is de laagste
eigenschap, de minst edele. Het geeft iemand de gelegenheid
om bepaalde handelingen te claimen als ‘van
mij’. Het geeft het gevoel ‘ik ben degene die dit doet’.
Rajas trekt je in allerlei activiteiten, en tamas
geeft je het gevoel de ‘doener’ van die activiteiten te
zijn.”12
Je zou kunnen zeggen dat de kracht van rajas
aanvankelijk eigenlijk een betrekkelijk vrije kracht is, die
op zichzelf nergens aan vast hoeft te blijven haken. Het is
pas de inwerking van tamas die de zaak doet
vastklonteren. Deze eigenschap maakt dat we willen blijven,
dat we ons aan iets hechten, dat we ons afzonderen, dat we ons
zorgen maken, enzovoort. Door tamas komen we ertoe om
een persoonlijk verhaal, een geschiedenis, te plakken op een
spontane activiteit.
Je zou Nisargadatta’s advies aldus kunnen
interpreteren: je kunt niet anders dan toestaan dat rajas
opkomt, want dat is inherent aan de spontane scheppingskracht;
ontvang haar, maar herken steeds weer het beginpunt erin, de
allereerste ‘aanraking’. Nisargadatta noemde deze
aanraking wel de ‘speldenprik’. Dat is sattva. Dat
is ook de term ‘bewustzijn’ zoals Nisargadatta die
gebruikt, de speldenprik, ‘de beleving van aanraking’. Dat
is wat ik ‘de mond van de fontein’ noemde: hier maak je
als het ware het huwelijk mee van sattva en rajas.
Verblijf in stilte (sattva) in de spattende
kracht (rajas).
Door je hier aan te wijden, door deze
speldenprik, dit ‘bewustzijn’, alle eer te geven, houdt
het zoeken op. Het ‘doen’, het proberen jezelf voorbij dit
bewustzijn te laten komen, kun je hier loslaten, want het kan
niets uitrichten. “Je kunt jezelf nooit ‘isoleren’ van
bewustzijn, tenzij bewustzijn helemaal ingenomen met je wordt,
en bevredigd raakt en zich van je losmaakt. Bewustzijn opent
de deur voor je om bewustzijn te transcenderen. Er zijn twee
aspecten: het ene is conceptueel, dynamisch bewustzijn, vol
met denkbeelden, en het andere is transcendent Bewustzijn.
Daar is zelfs niet het concept ‘ik ben er’. Het
conceptuele Saguna Brahman (Brahman met guna’s,
eigenschappen) is het resultaat van [de aanraking van de
uitstraling of weerspiegeling van het transcendente Bewustzijn,
Nirguna Brahman, met] het functionerende lichaam.”13
Dus hoewel het aanvankelijk wel degelijk
van belang is onderscheid te maken tussen bewustzijn (chetana)
en Bewustzijn (Chit), is het op een gegeven moment
zinnig bewustzijn-als-aanraking alleen nog maar te omhelzen,
zodat alle weerstand smelt, en daardoor alle dualiteit. De
aanraking is de Helpster, die je in jouw en Haar overgave
zalft, en je toont dat jij altijd al onaangetast bent, vrij en
ongescheiden, zonder je best ervoor te hoeven doen. Dus
enerzijds benadrukt Maharaj: “Ik, het Absolute, ben niet
deze ‘ik ben’-heid”,14 maar anderzijds: “Je moet
begrijpen dat dit ‘ik’ niet verschillend is op de
verschillende niveaus. Als het Absolute is het ‘ik’, dat
om zich te kunnen manifesteren een vorm nodig heeft. Hetzelfde
Absolute ‘ik’ wordt dan het gemanifesteerde ‘ik’, en
in dit gemanifesteerde ‘ik’ is bewustzijn de bron van
alles. In de gemanifesteerde staat is het het Absolute-met-bewustzijn.”15
Het is opvallend dat Maharaj hier, evenals
op talloze andere plaatsen, het woord ‘ik’ ook blijft
hanteren als woord voor het Uiteindelijke. Hij zegt
bijvoorbeeld, naast dat hij zichzelf heel vaak benoemt als ‘Ik,
het Absolute’: “Afgezien van Mij bestaat er niets. Alleen
Ik besta”,16 en “Als de staat van de zijnskwaliteit (‘ik
ben’) volledig verzwolgen is, is alles wat er overblijft dat
eeuwige ‘Ik’.”17
‘Ik’ blijkt dus de term te zijn voor
ons op alle drie niveaus: de persoon denkt en voelt ‘ik’,
de aanraking van zijn is de beleving van ‘ik’, zonder
denken (zonder ‘van mij’), en het Uiteindelijke is
‘ik’, zonder de beleving ervan. Dat betekent dat het Echte
dat we zijn altijd al het geval is, ook nu reeds. Ook binnenin
het geïdentificeerd-voelen met een bepaalde vorm blijft de
uitnodiging aanwezig om het meest dichtbije, namelijk ‘ik’,
te herkennen in zijn essentiële natuur.
Is ‘ik’ een deur? De Leermeester
antwoordt: “Er zijn geen deuren naar Parabrahman, lieve
jongen.”18
Verschenen in InZicht van dec. 2001; p. 26-32. www.inzicht.org
NOTEN
1. Prior to Consciousness (redactie:
Jean Dunn). Durham, NC: Acorn, 1985; p. 12-13.
2. Chandi (=Devi-mahatmya;
dit vormt een deel van de Markandeya Purana), I. 57; en
ook IV.9. Geciteerd door Vivekananda: The Complete Works of
Swami Vivekananda, Vol. VII. Calcutta: Advaita Ashrama,
1986 (10th ed.); p. 216.
3. The Experience of Nothingness (redactie:
Robert Powell). San Diego, CA: Blue Dove, 1996; p. 51-52. Ned.
vert. in Yoga Advaita, 1981, V-4; p. 157.
4. Prior to Consciousness; p. 21.
5. Consciousness and the Absolute (redactie:
Jean Dunn). Durham, NC: Acorn, 1994; p. 78. Ned. vert. Bewustzijn
en het Absolute. Heemstede: Altamira, 1996; p. 95-96.
6. Self-knowledge and Self-realisation
(Adaptation of the book Atmajnana Ani Paramatma Yoga).
Translated by V.M. Kulkarni. Bombay: Ram Narayan Chavhan,
1963; p. 35.
7. Prior to Consciousness; p. 54.
8. Prior to Consciousness; p. 103.
9. The Experience of Nothingness; p.
86. Ned. vert. in Yoga Advaita, 1981, V-4; p. 172.
10. Prior to Consciousness, p. 42.
11. In de taal van Ramana Maharshi luidt
het het bindende aspect van het ‘ik ben’-beginsel het ‘causale
lichaam’. Het bevrijdende aspect ervan noemt hij ‘Ik, Ik’,
‘Aham sphurana’.
12. The Ultimate Medicine (redactie:
Robert Powell). San Diego, CA: Blue Dove, 1994; p. 22. Ned.
vert. De ultieme Werkelijkheid. Heemstede: Altamira,
1992; p. 35-36 (het is jammer dat in de Nederlandse titel de
term ‘medicijn’ is weggevallen).
13. Consciousness and the Absolute;
p. 97. Ned. vert. Bewustzijn en het Absolute; p.
115-116. De toevoeging tussen teksthaken is gedaan om de
verbinding tussen bewustzijn en Bewustzijn te laten uitkomen;
hij is gedaan op grond van talloze opmerkingen in de oude
Advaita-traditie, en op grond van I Am That, p. 65: “bewustzijn
(chetana) verschijnt door de weerspiegeling van
Bewustzijn in materie”.
14. Prior to Consciousness; p. 27,
en vele andere plaatsen.
15. Prior to Consciousness; p. 114.
Hier zijn opzettelijk geen hoofdletters gebruikt voor ‘ik’,
om te beklemtonen dat ‘ik’ altijd al ‘ik’ is. Zie ook
de opmerking hierover in het eerste deel van dit artikel, in InZicht
van feb. 2001, p. 44.
16. The Ultimate Medicine; p. 29.
Ned. vert. De ultieme Werkelijkheid; p. 41.
17. The Nectar of the Lord’s Feet
(redactie Robert Powell). Longmead, Shaftesbury (Dorset):
Element, 1987; p. 43. Ned. vert. Zelf-realisatie.
Hillegom: Altamira, 1988; p. 52.
18. The Nectar of the Lord’s Feet;
p. 57. Ned. vert. Zelf-realisatie; p. 67.